22 januari 2026

De RESTORE trial – cognitive functional therapie onderzocht: dit zijn de resultaten (CAT)

De RESTORE trial, is een studie naar cognitive functional therapy (CFT) die nogal wat stof deed opwaaien.
CFT bestond al enkele jaren, en was ook al herhaaldelijk onderzocht.
Toch startte de research groep van Peter O’Sullivan een grote trial op, deze keer onder leiding van peter Kent, naar het toepassen van CFT en de effectiviteit ervan bij mensen met aanhoudende lage rugpijn.

Wil je het originele artikel lezen zoals dat in de Lancet is gepubliceerd? Klik dan hier.

Heb je meer interesse in een CAT, een critical appraisal van de RESTORE trial, lees dan door.

Lage rugpijn – ineffectieve behandeling

Lage rugpijn vormt wereldwijd de belangrijkste oorzaak van jaren geleefd met een beperking, waarbij de prevalentie en de bijbehorende ziektelast ondanks uitgebreide medische interventies blijven stijgen.
De sociaaleconomische impact is immens; in Australië en Europa overstijgen de kosten gerelateerd aan chronische pijn die van kanker en diabetes gecombineerd, grotendeels gedreven door productiviteitsverlies en langdurig zorggebruik.
Traditionele benaderingen, variërend van biomechanisch georiënteerde oefentherapie tot manuele technieken en chirurgische ingrepen, laten in grootschalige meta-analyses vaak slechts kleine tot matige effecten zien die bovendien zelden standhouden op de lange termijn.
Tegen deze achtergrond is de RESTORE-trial, gepubliceerd in The Lancet, een cruciaal wetenschappelijk ankerpunt dat de effectiviteit van Cognitive Functional Therapy (CFT) onderzoekt

De RESTORE trial

De RESTORE-studie is opgezet als een pragmatische, gerandomiseerde, gecontroleerde, drie-armige fase 3-klinische trial.
Het primaire doel was om de klinische effectiviteit en economische efficiëntie te vergelijken van CFT—geleverd met of zonder bewegingssensor-biofeedback—ten opzichte van de gebruikelijke zorg bij patiënten met chronische, invaliderende lage rugpijn.

De centrale vraag van de onderzoekers was: is cognitive functional therapy (CFT) met of zonder sensorische feedback effectiever dan gebruikelijke zorg in het verminderen van pijn en beperkingen bij volwassenen met chronische lage rugpijn (CLBP)?

Onderzoeksopzet en populatiekarakteristieken

Het onderzoek vond plaats in 20 eerstelijns fysiotherapiepraktijken in de Australische steden Perth en Sydney.
Tussen oktober 2018 en augustus 2020 werden 1011 patiënten gescreend, waarvan er uiteindelijk 492 werden gerandomiseerd in een verhouding van 1:1:1 over drie groepen: CFT alleen (n=164), CFT met biofeedback (n=163), en de gebruikelijke zorg (n=165).

De populatie bestond uit volwassenen met een gemiddelde leeftijd van 47,3 jaar, waarvan 59% vrouw was.
De mediane duur van de huidige pijnepisode was 260 weken, wat duidt op een zeer chronische en complexe populatie.
In tabel 1 worden de belangrijkste baseline-kenmerken weergegeven, waaruit blijkt dat de groepen bij aanvang goed vergelijkbaar waren wat betreft beperkingen, pijnintensiteit en psychosociale variabelen.

Variabele Gebruikelijke Zorg (UC) CFT Alleen CFT + Biofeedback
Aantal (n) 165 164 163
Leeftijd (gemiddelde in jaren) 47,7 47,5 46,7
RMDQ (beperkingen, 0-24) 13,3 13,5 13,8
Pijnintensiteit (NRS, 0-10) 6,3 6,2 6,1
Pijn Catastroferen (PCS, 0-12) 5,9 6,0 6,1
Zelfeffectiviteit (PSEQ, 0-60) 36,4 34,2 33,9
Opioïdgebruik (n, %) 37 (23%) 28 (17%) 27 (17%)

 

De inclusiecriteria waren breed en pragmatisch: pijn voor meer dan 3 maanden, een intensiteit van 4/10 of meer en ten minste matige interferentie met dagelijkse activiteiten.
Belangrijke exclusiecriteria waren ernstige spinale pathologie (zoals maligniteiten of fracturen), zwangerschap, recente bevalling of geplande operaties.

Methodologische kwaliteit en bias-risico

De methodologische kwaliteit van de RESTORE-trial wordt door experts beoordeeld als hoog, hoewel er inherente beperkingen zijn die inherent zijn aan gedragsmatige interventies.
De randomisatie was gecentraliseerd en adaptief, waarbij rekening werd gehouden met de locatie, het geslacht en de ernst van de beperkingen bij baseline om onbalans tussen de groepen te voorkomen.
De statistici waren geblindeerd voor de groepsallocatie, maar patiënten en behandelend fysiotherapeuten waren dat niet, wat een risico op performance bias en selectiebias met zich meebrengt.

Kritische beoordelingen wijzen erop dat het gebrek aan blindering in combinatie met zelfgerapporteerde uitkomstmaten kan leiden tot een overschatting van het effect door de verwachtingen van de patiënt. Daar kan tegenin worden gebracht dat dit altijd het geval is met dergelijke studies en er methodologisch niet direct een goed alternatief is.
Bovendien bestond de controlegroep uit “usual care”, waarbij patiënten vrij waren om elke vorm van zorg te zoeken die zij wensten.
De analyse van deze groep toonde aan dat de zorgconsumptie relatief laag was (mediaan 3 consulten in 13 weken), wat de vraag oproept of het waargenomen verschil komt door de kracht van CFT of door de beperkte effectiviteit van de gebruikelijke zorg in deze specifieke setting.

De interventie: training en competentie

Een cruciaal aspect van de RESTORE-trial was de intensieve training van de 18 deelnemende fysiotherapeuten.
In tegenstelling tot veel andere trials, waarbij therapeuten slechts een korte workshop volgen, ondergingen de RESTORE-therapeuten een traject van 80 uur.
Dit traject bestond uit klinische workshops verspreid over vijf maanden, online zelfstudie en, meest cruciaal, intensieve mentoring waarbij experts feedback gaven op video-opnames van behandelingen met echte patiënten.

De beheersing van CFT werd beoordeeld aan de hand van een checklist voordat de therapeuten mochten deelnemen aan de trial. Hierdoor is ook zeker dat in de praktijk door de therapeuten ook werkelijk CFT is toegepast, en niet een halfslachtige aanpak die er op lijkt.
Deze diepgaande training is een belangrijke verklaring voor de grotere en meer duurzame effecten die in deze studie werden gevonden in vergelijking met eerdere, kleinere CFT-onderzoeken.

Klinische resultaten en economische evaluatie

De RESTORE-trial rapporteerde resultaten op meerdere tijdstippen, variërend van 3 weken tot 3 jaar na randomisatie.
De belangrijkste bevinding was dat CFT leidde tot grote, klinisch relevante en duurzame verbeteringen in zowel activiteitsbeperkingen als pijnintensiteit.

Effecten op activiteitsbeperkingen en pijn

Het primaire eindpunt was de activiteitsbeperking na 13 weken, gemeten met de Roland Morris Disability Questionnaire (RMDQ).
De resultaten toonden een gemiddeld verschil van -4,6 punten aan ten gunste van beide CFT-armen vergeleken met de gebruikelijke zorg (95% CI -5,9 tot -3,4).
Deze effecten bleven nagenoeg gelijk tot 52weken, wat uitzonderlijk is in de literatuur over chronische rugpijn, waar effecten van actieve behandelingen doorgaans wegebben naarmate de tijd vordert.

In tabel 2 worden de effectgroottes op 13 en 52 weken vergeleken.

Uitkomstmaat (Verschil t.o.v. UC) 13 Weken (MD, 95% CI) 52 Weken (MD, 95% CI)
Beperkingen (RMDQ, 0-24) -4,6 (-5,9 tot -3,4) -4,8 (-6,0 tot -3,5)
Pijn (Mean 3-item NRS, 0-10) -1,6 (-2,0 tot -1,1) -1,4 (-1,9 tot -1,0)
Zelfeffectiviteit (PSEQ, 0-60) +8,2 (5,4 tot 10,9) +8,1 (5,3 tot 10,9)
Pijn Catastroferen (PCS-3, 0-12) -1,9 (-2,5 tot -1,3) -2,1 (-2,7 tot -1,4)

Een opvallende bevinding was dat de toevoeging van bewegingssensor-biofeedback geen enkel significant extra voordeel bood bovenop de reguliere CFT-benadering.
Dit suggereert dat de effectiviteit van CFT voortkomt uit de cognitieve en gedragsmatige herstructurering en niet uit de technologische precisie van bewegingsmetingen.

CFT is de eerste behandeling voor chronische invaliderende lage rugpijn die bewijs levert voor effecten die langer dan een jaar en zelfs tot drie jaar aanhouden.

Lange-termijn resultaten op 3 Jaar

In 2025 publiceerden de onderzoekers de resultaten van de 3-jarige follow-up van de RESTORE-trial in The Lancet Rheumatology.
Van de oorspronkelijke 492 deelnemers gaf 73% toestemming voor verder contact, waarvan 87% de vragenlijsten na 3 jaar voltooide.
De resultaten bevestigden de duurzaamheid van de interventie:

  • Beperkingen: Het verschil in RMDQ-score bleef significant ten gunste van CFT vergeleken met gebruikelijke zorg (gemiddeld verschil -3,9 tot -4,1 punten).
  • Pijnintensiteit: De pijnvermindering bleef eveneens gehandhaafd met een verschil van ongeveer -1,0 tot -1,5 punt op de NRS.
  • Conclusie: CFT is de eerste behandeling voor chronische invaliderende lage rugpijn die bewijs levert voor effecten die langer dan een jaar en zelfs tot drie jaar aanhouden.

Economische efficiëntie en maatschappelijke kosten

De economische analyse van de RESTORE-trial was eveneens baanbrekend.
Beide CFT-interventies bleken niet alleen klinisch effectiever, maar ook aanzienlijk goedkoper vanuit een maatschappelijk perspectief.
De totale maatschappelijke kostenbesparing bedroeg gemiddeld AU 5276 per patiënt voor de CFT-alleen groep en AU 8211 voor de CFT-plus-biofeedback groep over een periode van 12 maanden.

Deze besparingen werden primair gedreven door een forse afname in productiviteitsverliezen (minder ziekteverzuim en een hogere werkcapaciteit).
Hoewel de directe kosten voor de fysiotherapeutische behandeling hoger waren in de CFT-groepen vanwege de langere consultduur en de noodzakelijke scholing, resulteerde dit in een netto winst voor de maatschappij.
Dit versterkt het argument voor de implementatie van “high-value care” waarbij een intensievere initiële investering leidt tot significante lange-termijn besparingen.

Vertaling naar de praktijk: CFT in leerbare stappen.

Voor de dagelijkse praktijk van de fysiotherapeut is CFT niet simpelweg een nieuwe oefening, maar een integraal behandelmodel gebaseerd op een multidimensionaal klinisch redeneerraamwerk. CFT wordt ook wel psychologisch geïnformeerde fysiotherapie genoemd (PIP of PIF).
Dit raamwerk helpt de therapeut om de complexe “wirwar” aan factoren die bijdragen aan de pijn van de patiënt te analyseren en te beïnvloeden.

Het Klinisch redeneerraamwerk

In plaats van een lineaire optelsom van symptomen, ziet CFT klinisch redeneren als het in kaart brengen van wederkerig beïnvloedende factoren. Hierbij wordt gekeken naar:

  1. Biomedische factoren: specifieke diagnoses of pathofysiologische mechanismen (bijv. nociceptief, neuropathisch of nociplastisch).
  2. Psychologische factoren: overtuigingen over pijn, catastroferen, angst voor schade en emotionele distress.
  3. Sociale factoren: werkbelasting, thuissituatie en sociale steun.
  4. Gedragsmatige reacties: beschermend beweeg gedrag (guarding), vermijding van activiteiten of juist doorgaan ondanks de pijn (endurance coping).
  5. Leefstijl: slaappatronen, fysieke activiteit en stressmanagement.

De drie pijlers van de behandeling

De behandeling zelf is opgedeeld in drie complementaire fasen die tijdens de consulten vloeiend in elkaar overgaan.

Pijler 1: Making sense of pain (pijn begrijpelijk maken)

De eerste stap is om de patiënt te helpen hun pijn te herconceptualiseren via hun eigen verhaal.
In plaats van een generiek praatje over pijnfysiologie, koppelt de therapeut de bevindingen uit de anamnese en het lichamelijk onderzoek direct aan de ervaring van de patiënt.
Als een patiënt bijvoorbeeld gelooft dat hun rug “kapot” is omdat bukken pijn doet, laat de therapeut zien hoe zijn copinggedrag, bijvoorbeeld angst en spierspanning, die pijn uitlokken, in plaats van weefselschade.
Het doel is om een nieuw, helpend verklaringsmodel te creëren waarin de rug als robuust en belastbaar wordt gezien.

Pijler 2: Exposure with control (blootstelling met controle)

Deze fase is het hart van de fysieke interventie.
Patiënten worden blootgesteld aan bewegingen en houdingen die zij vrezen of vermijden, zoals bukken, tillen of langdurig zitten.
In tegenstelling tot traditionele oefentherapie is de focus hier niet op “kracht” of “stabiliteit”, maar op het veranderen van de manier waarop de patiënt beweegt.
De patiënt leert om beschermend gedrag (zoals het vastzetten van de rug of het inhouden van de adem) los te laten en de beweging op een ontspannen, gecontroleerde manier uit te voeren.
Dit creëert een “correctieve ervaring” in het zenuwstelsel; de patiënt ervaart dat zij de beweging kunnen maken zonder dat dit tot de gevreesde schade leidt.

Pijler 3: Lifestyle change (leefstijlverandering)

De laatste fase richt zich op het verminderen van de algehele kwetsbaarheid van het systeem.
Dit omvat coaching op het gebied van gezonde slaapgewoonten, het verminderen van sedentair gedrag en het hervatten van betekenisvolle fysieke, sociale en werkgerelateerde activiteiten.
De therapeut fungeert hierbij als coach, die de patiënt helpt om zelfmanagementvaardigheden te ontwikkelen en een plan te maken voor het omgaan met toekomstige terugvallen.

Lees meer over CFT in het artikel Wat is cognitive functional therapy – CFT.

Interesse in de cursus CFT – Cognitive functional therapy? Klik hier!

 

Toepasbaarheid en leerbaarheid voor de Nederlandse fysiotherapeut

De vraag of CFT breed toepasbaar is in de Nederlandse fysiotherapiepraktijk, hangt af van de bereidheid tot een fundamentele verschuiving in klinisch denken en de bereidheid tot intensieve bijscholing.

Is de benadering te leren voor de meeste therapeuten?

De RESTORE-trial toonde aan dat therapeuten met uiteenlopende ervaring succesvol getraind kunnen worden tot een hoog competentieniveau.
De therapeuten in de studie rapporteerden een positieve verandering in hun mindset en voelden zich na de training competenter in het managen van complexe patiënten.

Wel is er nog een significant verschil tussen een driedaagse introductiecursus, zoals die momenteel in Nederland en België worden aangeboden, en de 80 uur durende training uit de trial.
In Nederland biedt Viaperspectief ism Evoolve een “CFT Tier 1” cursus aan, die bestaat uit ongeveer 6 uur e-learning en twee dagen fysieke scholing.
Dit is een uitstekend startpunt van je ontwikkeling in het toepassen van CFT.

Voor volledige beheersing van CFT is waarschijnlijk een traject nodig dat vergelijkbaar is met de RESTORE-trial, inclusief Tier 2 (vaardigheidstraining) en Tier 3 (mentoring met echte patiënten).
Dit vraagt om een aanzienlijke investering in tijd en middelen, maar de resultaten uit de trial suggereren dat deze investering zich vertaalt in superieure patiëntresultaten en professionele voldoening.
Bovendien vormt 80 uur in een periode van 2 of 3 jaar zeer zeker geen onoverkomelijke tijdsinvestering. Iedere therapeut in  Nederland moet immers accreditatiepunten behalen. Alle (CFT) cursussen van Viaperspectief zijn geaccrediteerd.

Toepasbaarheid in de dagelijkse praktijk: uitdagingen en oplossingen

Fysiotherapeuten die CFT implementeren in hun eigen praktijk, stuiten op enkele uitdagingen.

  • De therapeut, jijzelf: je moet bereid zijn om de rol van “fixer” los te laten en die van “coach” aan te nemen. Dit vraagt om een andere communicatiestijl en het kritisch bevragen van eigen (biomechanische) overtuigingen.
  • De praktijkvoering: CFT consulten vragen meer tijd, een intake duurt 60 min, een vervolgconsult 30-45. Door hier rekening mee te houden in planning is dit goed op te lossen. Als praktijken moet je bereid en creatief zijn om je zorgmodel aan te passen om deze vorm van complexe zorg mogelijk te maken. Veel praktijken hebben dit al met succes gedaan. Het gaat meer om willen, dan om kunnen!
  • Het zorgstelsel: De huidige financieringsmodellen stimuleren vaak volume boven waarde. Een verschuiving naar uitkomstgerelateerde financiering zou de implementatie van CFT kunnen vergemakkelijken, alhoewel dat eerst eens in een pilot zou moeten worden aangetoond. Feit is dat CFT een ‘waarde-gedreven’ aanpak is, niet gericht op volume maar op kwalitatief hoogwaardige zorg.

De Nederlandse context: de richtlijnen

De resultaten van de RESTORE-trial moeten worden gewogen tegen de achtergrond van de Nederlandse fysiotherapeutische zorg en de gepubliceerde KNGF-richtlijnen.

Het belangrijkste verschil is dat CFT een veel specifieker en praktischer raamwerk biedt voor de integratie van deze factoren in de fysieke behandeling dan de richtlijn, die vaker algemene aanbevelingen geeft.

Aansluiting bij de KNGF-richtlijn Lage Rugpijn (2021)

Het CFT-concept sluit naadloos aan bij de KNGF-richtlijn “Lage rugpijn en lumbosacraal radiculair syndroom” (2021). Deze richtlijn benadrukt reeds het belang van:

  • Identificatie van Psychosociale Factoren: Het screenen op catastroferen, angst voor bewegen en depressieve gevoelens is een kernonderdeel van de diagnostiek.
  • Indeling in Behandelprofielen: CFT is bij uitstek geschikt voor patiënten met “Profiel 2” (aanwezigheid van psychosociale herstelbelemmerende factoren) en voor patiënten met een hoog risico op chroniciteit op basis van de STarT Back Screening Tool.
  • Gedragsgeoriënteerde Interventies: De richtlijn adviseert expliciet om gedragsgeoriënteerde principes en pijneducatie te integreren bij patiënten met persisterende klachten.

Het belangrijkste verschil is dat CFT een veel specifieker en praktischer raamwerk biedt voor de integratie van deze factoren in de fysieke behandeling dan de richtlijn, die vaker algemene aanbevelingen geeft.

Wat kan jij met dit onderzoek?

De RESTORE-trial biedt jou als fysiotherapeut, mits je bereid bent te investeren in deze benadering, een krachtig instrumentarium om de resultaten bij patiënten met chronische rugpijn aanzienlijk te verbeteren.

Praktische implicaties voor de consultvoering

De fysiotherapeut kan de volgende elementen direct integreren in de dagelijkse praktijk:

  1. De patiënt het verhaal laten vertellen: In plaats van een gestandaardiseerde vragenlijst, begint het consult met het uitnodigen van de patiënt om hun persoonlijke narratief over de pijn te delen. Dit geeft inzicht in de overtuigingen, angsten en doelen die de kern van de behandeling zullen vormen.
  2. Identificeren van beschermend gedrag: Tijdens het lichamelijk onderzoek observeert de therapeut niet alleen “wat” de patiënt doet, maar vooral “hoe” zij het doen. Is er sprake van overmatige spierspanning, ademretentie of een extreem behoedzame manier van bewegen? Dit gedrag wordt een doelwit voor verandering.
  3. Gedragsexperimenten in plaats van oefeningen: In plaats van de patiënt naar huis te sturen met een lijstje oefeningen, voert de therapeut tijdens het consult experimenten uit. Kan de patiënt op een ontspannen manier bukken als zij zich concentreren op hun ademhaling? Kan het “vastzetten” van de rug worden losgelaten? De positieve ervaring tijdens deze experimenten is krachtiger dan elke mondelinge uitleg.
  4. Het gebruik van validatie: Veel patiënten met aanhoudende pijn voelen zich niet serieus genomen door het zorgsysteem. Door de zorgen van de patiënt te valideren en hun pijn te erkennen als een legitiem biopsychosociaal probleem, wordt de basis gelegd voor een sterke therapeutische alliantie.

Toepasbaarheid op andere regio’s mogelijk?

Hoewel CFT primair is ontwikkeld voor lage rugpijn, suggereren de onderzoekers en docenten CFT dat de visie en het raamwerk breder toepasbaar zijn.
Er lopen studies naar de toepassing bij nekpijn, knie-artrose en schouderklachten.
De kernprincipes—het herstellen van vertrouwen in het lichaam via cognitieve verandering en gecontroleerde blootstelling—zijn universeel relevant voor vrijwel elk chronisch musculoskeletaal pijnprobleem.

Interesse in de cursus CFT – Cognitive functional therapy? Klik hier!

Conclusies en Aanbevelingen

De RESTORE-trial levert het meest robuuste bewijs tot nu toe dat een geïndividualiseerde, biopsychosociale benadering zoals Cognitive Functional Therapy superieur is aan de gebruikelijke zorg bij chronische, invaliderende lage rugpijn.
De effecten zijn groot, houden stand tot drie jaar na dato en leiden tot significante maatschappelijke kostenbesparingen door verbeterde werkparticipatie.

Voor de Nederlandse fysiotherapeut die hiermee aan de slag wil, zijn de conclusies als volgt:

  • Toepasbaarheid: De benadering is uitermate relevant voor de complexe patiëntenpopulatie in de Nederlandse eerstelijn en sluit goed aan bij de huidige KNGF-richtlijnen. De grootste uitdaging ligt in de integratie van de soms langere consultduur binnen het huidige financieringsmodel.
  • Leerbaarheid: De benadering is aan te leren voor therapeuten die bereid zijn hun professionele identiteit te verschuiven van “technicus” naar “coach”. Cursussen in 3 Tiers (niveaus’) zijn beschikbaar (in de loop van 2026) om het competentieniveau van de RESTORE-trial te bereiken.
  • Aanbeveling: Fysiotherapeuten worden aangemoedigd om zich te scholen in het multidimensionale klinisch redeneerraamwerk van CFT. Het biedt een gestructureerde weg uit de impasse bij patiënten die elders zijn vastgelopen en positioneert de fysiotherapeut als een onmisbare schakel in de maatschappelijke aanpak van chronische pijn.

Het bewijs uit de RESTORE-trial suggereert dat we niet meer kunnen volstaan met biomechanische oplossingen voor een biopsychosociaal probleem.
CFT biedt een wetenschappelijk onderbouwd alternatief dat niet alleen de kwaliteit van leven van de patiënt verhoogt, maar ook de duurzaamheid van de fysiotherapeutische zorg versterkt.

 

Meer lezen? Hier is een (lange) lijst met relevante bronnen.

  1. Kent P, O’Sullivan P, Smith AD, et al. RESTORE-Cognitive functional therapy with or without movement sensor biofeedback versus usual care for chronic, disabling low back pain: study protocol for a randomised controlled trial. BMJ Open 2019; 9(8): e031133.

  2. Chen Y, Campbell P, Strauss VY, Foster NE, Jordan KP, Dunn KM. Trajectories and predictors of the long-term course of low back pain: cohort study with 5-year follow-up. Pain 2018; 159(2): 252-60.

  3. O’Sullivan PB, Caneiro J, O’Keeffe M, et al. Cognitive functional therapy: an integrated behavioral approach for the targeted management of disabling low back pain. Physical therapy 2018; 98(5): 408-23.

  4. Lin I, Wiles L, Waller R, et al. What does best practice care for musculoskeletal pain look like? Eleven consistent recommendations from high-quality clinical practice guidelines: systematic review. Br J Sports Med 2019.

  5. Bernstein IA, Malik Q, Carville S, Ward S. Low back pain and sciatica: summary of NICE guidance. BMJ  2017; 356: i6748.

  6. ACSQHC. Low Back Pain Clinical Care Standard. Sydney: Australian Commission on Safety and Quality in Health Care, 2022.

  7. Synnott A, O’Keeffe M, Bunzli S, Dankaerts W, O’Sullivan P, O’Sullivan K. Physiotherapists may stigmatise or feel unprepared to treat people with low back pain and psychosocial factors that influence recovery: a systematic review. J Physiother 2015; 61(2): 68-76.

  8. Lin I, Wiles L, Waller R, et al. Patient-centred care: the cornerstone for high-value musculoskeletal pain management. Br J Sports Med 2020; 54(21): 1240-2.

  9. O’Keeffe M, O’Sullivan P, Purtill H, Bargary N, O’Sullivan K. Cognitive functional therapy compared with a group-based exercise and education intervention for chronic low back pain: a multicentre randomised controlled trial (RCT). Br J Sports Med 2020; 54(13): 782-9.

  10. Vibe Fersum K, O’Sullivan P, Skouen J, Smith A, Kvåle A. Efficacy of classification‐based cognitive functional therapy in patients with non‐specific chronic low back pain: A randomized controlled trial. European journal of pain 2013; 17(6): 916-28.

  11. Castro J, Correia L, Donato BS, et al. Cognitive functional therapy compared with core exercise and manual therapy in patients with chronic low back pain: randomised controlled trial. Pain 2022; 163(12): 2430-7.

  12. Ng L, Cañeiro JP, Campbell A, Smith A, Burnett A, O’Sullivan P. Cognitive functional approach to manage low back pain in male adolescent rowers: a randomised controlled trial. Br J Sports Med 2015; 49(17): 1125-31.

  13. Ussing K, Kjaer P, Smith A, et al. Cognitive Functional Therapy for People with Nonspecific Persistent Low Back Pain in a Secondary Care Setting-A Propensity Matched, Case-Control Feasibility Study. Pain Med 2020; 21(10): 2061-70.

  14. Kent P, Laird R, Haines T. The effect of changing movement and posture using motion-sensor biofeedback, versus guidelines-based care, on the clinical outcomes of people with sub-acute or chronic low back pain-a multicentre, cluster-randomised, placebo-controlled, pilot trial. BMC musculoskeletal disorders 2015; 16(1): 131.

  15. Simpson P, Holopainen R, Schütze R, et al. Training of Physical Therapists to Deliver Individualized Biopsychosocial Interventions to Treat Musculoskeletal Pain Conditions: A Scoping Review. Phys Ther 2021; 101(10).

  16. Kent P, O’Sullivan P, Smith A, et al. Cognitive functional therapy with or without movement sensor biofeedback versus usual care for chronic, disabling low back pain (RESTORE): a randomised, controlled, three-arm, parallel group, phase 3, clinical trial. The Lancet 2023.

  17. Hill JC, Whitehurst DG, Lewis M, et al. Comparison of stratified primary care management for low back pain with current best practice (STarT Back): a randomised controlled trial. The Lancet 2011; 378(9802): 1560-71.

  18. Lamb SE, Hansen Z, Lall R, et al. Group cognitive behavioural treatment for low-back pain in primary care: a randomised controlled trial and cost-effectiveness analysis. The Lancet 2010; 375(9718): 916-23.

  19. Bagg MK, Wand BM, Cashin AG, et al. Effect of Graded Sensorimotor Retraining on Pain Intensity in Patients With Chronic Low Back PainA Randomized Clinical Trial. JAMA 2022; 328(5): 430-9.

  20. Hayden JA, Ellis J, Ogilvie R, Malmivaara A, van Tulder MW. Exercise therapy for chronic low back pain. Cochrane Database Syst Rev 2021; 9(9): Cd009790.

  21. Ho EK, Chen L, Simic M, et al. Psychological interventions for chronic, non-specific low back pain: systematic review with network meta-analysis. BMJ 2022; 376: e067718.

  22. Kamper SJ, Apeldoorn AT, Chiarotto A, et al. Multidisciplinary biopsychosocial rehabilitation for chronic low back pain: Cochrane systematic review and meta-analysis. BMJ 2015; 350: h444.

  23. Vaegter HB, Ussing K, Johansen JV, et al. Improvements in clinical pain and experimental pain sensitivity after cognitive functional therapy in patients with severe persistent low back pain. Pain Rep 2020; 5(1): e802.

  24. Holopainen R, Piirainen A, Karppinen J, Linton SJ, O’Sullivan P. An adventurous learning journey. Physiotherapists’ conceptions of learning and integrating cognitive functional therapy into clinical practice. Physiother Theory Pract 2022; 38(2): 309-26.

  25. National Institute for Health and Care Excellence. Glossary [Internet]. United Kingdom; 2023 [cited 2023 May 1].

 

Interesse om Cognitive Functional Therapy te leren? Klik hier en orienteer je op deze interessante cursus.

Gerelateerde artikelen

corestability en rugpijn; de mythe van de musculus transversus
CFT cognitive functional therapy

Core stability en rugpijn: de mythe van de abdominus transversus

In de wereld van de fysiotherapie en fitness is er één concept dat al decennia onomstreden lijkt: ‘core stability’. Of je nu een topsporter bent of een kantoormedewerker met zeurende rugklachten, het advies is bijna altijd hetzelfde: “Je moet je core versterken.” Zelfs mensen die vrijwel de hele dag zitten (en hun core-spieren dus nauwelijks […]

Lees meer
Modic veranderingen
manuele therapie

Modic changes in de fysiotherapiepraktijk

Modic veranderingen en wat je er als fysiotherapeut over moet weten Decennialang werd de discus intervertebralis (tussenwervelschijf) als de primaire boosdoener van rugpijn gezien. In menig praktijk hingen posters aan de muur die de belasting van de discus in beeld brachten en mensen waarschuwde voor bepaalde houdingen en posities. Inmiddels weten we dat dit achterhaald […]

Lees meer
CFT cognitive functional therapy

Loadmanagement bij rugpijn: waarom de biomechanica cruciaal blijft

‘De dokter zei dat ik een versleten rug heb. Er zit bijna geen kraakbeen meer tussen mijn wervels.’ Je patiënt kijkt je moedeloos aan. In je achterhoofd schieten de moderne richtlijnen voorbij: pijneducatie, het biopsychosociaal model, geruststellen. Je legt geduldig uit dat ‘slijtage’ een normaal verouderingsproces is, vergelijkbaar met grijze haren, en dat de pijn […]

Lees meer