10 maart 2026
De wereld van de fysiotherapie is continu in beweging.
Al jaren geleden deed het BPS model zijn intrede. Al wordt het nog niet alom toegepast…..
In dit artikel verkennen we de waarde van psychologisch geïnformeerde fysiotherapie (PIF).
Daarbij kijken we ook naar recente wetenschappelijke ontwikkelingen, waaronder de omvangrijke netwerk meta-analyse van Niederer et al. (2026) en de invloedrijke RESTORE-trial.³
Want we kennen allemaal de paradox: patiënten met een ogenschijnlijk “perfecte” MRI die hevige pijn ervaren, en anderen met duidelijke degeneratieve afwijkingen die nauwelijks klachten hebben.¹
Deze tegenstelling dwingt ons om verder te kijken dan alleen de anatomie, de biomechanica, het functioneren, spierkracht en mobiliteit.
Veel patiënten vragen vroeg of laat om een scan. Ze hopen dat een MRI de duidelijke oorzaak van hun pijn zal laten zien.
Jarenlang zijn we als beroepsgroep meegegaan in deze zoektocht naar de zogenaamde pain generator.
Inmiddels weten we dat dit beeld te simpel is.
Pijn is geen directe afspiegeling van weefselschade.
Het is een complex biologisch alarmsysteem dat beïnvloed wordt door vele factoren: lichamelijk, psychologisch en sociaal.⁵
Wanneer we spreken over psychologisch geïnformeerde fysiotherapie (PIF of PIP), bedoelen we dan ook niet simpelweg “psychologie voor fysiotherapeuten”.
Het gaat om een geïntegreerde benadering waarin gedrag, gedachten en emoties van de patiënt net zo belangrijk zijn als de fysieke interventies die we inzetten.⁷
Meer lezen over PIF of PIP: lees dan Wat is psychologisch geïnformeerde fysiotherapie?
De traditionele aanpak – vaak gericht op symptoombestrijding via massage, manipulatie of uitsluitend fysieke training – levert bij aanhoudende klachten regelmatig teleurstellende resultaten op de lange termijn.⁹
Daarom groeit de behoefte aan een meer holistische en persoonsgerichte aanpak.
Binnen dat perspectief krijgen psychologisch geïnformeerde fysiotherapie en met name Cognitive Functional Therapy (CFT) (een vorm van PIF) steeds meer aandacht. Voor veel praktijken blijken deze benaderingen een echte game changer.¹¹
Een van de meest recente publicaties op het gebied van PIF is de systematische review met netwerk meta-analyse van Niederer en collega’s, gepubliceerd in het Journal of Orthopaedic & Sports Physical Therapy (2026).
Deze studie is bijzonder omdat zij niet alleen onderzoekt of oefentherapie werkt, maar vooral welke vormen van op maat gemaakte therapie het meest effectief zijn bij chronische aspecifieke lage rugpijn.³
Het onderzoeksteam analyseerde 58 gerandomiseerde trials met in totaal 10.510 deelnemers.
In totaal werden 29 verschillende behandelcategorieën onderzocht.
Dat maakt het mogelijk om een hiërarchie van interventies op te stellen op basis van effectiviteit voor pijn en beperkingen (disability).³
De resultaten zijn opvallend.
Cognitive Functional Therapy (CFT) – al dan niet gecombineerd met biofeedback – kwam naar voren als de meest effectieve behandeling voor zowel pijnreductie als het verminderen van beperkingen in vergelijking met standaardzorg (usual care).³
Voor beperkingen liet CFT een Standardized Mean Difference (SMD) van -0,89 zien.
Wat duidt op een groot klinisch effect.³
Wanneer biofeedback werd toegevoegd, steeg dit effect naar -1,00.³
Een interessant inzicht uit de studie van Niederer et al. is dat niet elke vorm van “op maat gemaakte therapie” dezelfde waarde heeft.
CFT laat sterke resultaten zien, terwijl meer unidimensionale benaderingen – bijvoorbeeld therapieën die uitsluitend gebaseerd zijn op mechanische subgroepering – vaak minder robuuste effecten laten zien.³
| Interventie | SMD vs usual care (disability) | P-score |
|---|---|---|
| CFT + biofeedback | -1,00 | 0.98 |
| CFT | -0,89 | 0.97 |
| Movement System Impairment (MSI) | -0,58 | 0.87 |
| Mechanical Diagnosis & Therapy (MDT) | -0,45 | 0.78 |
| Therapist-guided stabilization | -0,26 | 0.55 |
| STarT Back benadering | -0,13 | 0.39 |
Bron: Niederer et al. (2026)³
De onderzoekers benadrukken dat interventies die géén rekening houden met de multifactoriële aard van lage rugpijn – zoals overtuigingen, leefstijl en sociale context – het probleem vaak oversimplificeren.³
Voor fysiotherapeuten is dat een belangrijk inzicht.
Het gaat niet alleen om het corrigeren van een ‘foute’ beweging.
Het gaat er vooral om te begrijpen waarom een beweging voor de patiënt bedreigend voelt.
Een belangrijke studie binnen dit veld is de RESTORE-trial van Kent et al. (2023), gepubliceerd in The Lancet.
Deze studie onderzocht zowel de effectiviteit als de economische waarde van CFT bij patiënten met chronische, invaliderende lage rugpijn in twintig eerstelijnspraktijken in Australië.⁴
De kracht van de RESTORE-trial zit in de praktische vertaling van het biopsychosociale model.
Patiënten kregen maximaal zeven sessies in twaalf weken, gevolgd door een boostersessie na zes maanden.
De behandeling richtte zich op drie centrale componenten:
De patiënt helpen zijn eigen pijnervaring beter te begrijpen.
Waarom doet het pijn?
Welke rol spelen factoren zoals stress of slaapgebrek in het pijnsysteem?¹¹
Bewegingen die eerder werden vermeden vanwege angst worden geleidelijk opnieuw geïntroduceerd.
Niet geforceerd, maar in een ontspannen en gecontroleerde context.¹⁶
Barrières zoals slechte slaap, een zittende leefstijl en sociale isolatie worden actief besproken en aangepakt.¹²
Meer lezen over CFT? Lees dan ‘Wat is Cognitive functional therapy – CFT’.
Interesse in de cursus CFT – Cognitive functional therapy? Klik hier!
Wat de RESTORE-trial bijzonder maakt, is de duurzaamheid van de effecten.
Veel interventies bij rugpijn laten slechts kleine en tijdelijke verbeteringen zien. Bij CFT waren de effecten groter én langduriger.⁴
Na 13 weken scoorden patiënten in de CFT-groep significant beter op de RMDQ (mean difference -4,6).
Opvallend is dat deze verbeteringen na 52 weken nog steeds aanwezig waren.⁴
Daarnaast bleek de toevoeging van technologische hulpmiddelen – zoals bewegingssensoren voor biofeedback – geen duidelijke meerwaarde te bieden bovenop de standaard CFT-benadering.¹⁵
Dit suggereert dat de belangrijkste werkzame factoren waarschijnlijk liggen in:
De driejaarsresultaten van de RESTORE-trial zijn gepubliceerd door Hancock et al. (2025) in The Lancet Rheumatology.⁹
En juist deze lange follow-up maakt de studie zo interessant.
Ook na drie jaar bleken pijn en beperkingen in de CFT-groepen nog steeds significant lager dan bij gebruikelijke zorg.¹⁹
Bijna de helft van de patiënten behield een disabilityscore die geassocieerd wordt met herstel.²⁰
| Uitkomstmaat (3 jaar) | CFT vs usual care |
|---|---|
| Disability (RMDQ) | -3,5 tot -4,1 |
| Pijnintensiteit (NRS) | -1,0 tot -1,5 |
| Tevredenheid patiënt | 82% (vs 19% bij usual care na 1 jaar) |
De onderzoekers concluderen dat een relatief korte behandeling met CFT kan leiden tot blijvende veranderingen in hoe mensen met hun lichaam en hun pijn omgaan.¹⁵
Patiënten ontwikkelen vaardigheden om toekomstige flare-ups zelf te managen, zonder direct opnieuw zorg te hoeven zoeken.
Een belangrijk onderdeel van psychologisch geïnformeerd werken is het beïnvloeden van ziektepercepties.
Onderzoek van Kragting et al. (2025) bij patiënten met nekpijn laat zien dat veranderingen in hoe patiënten hun klacht begrijpen een belangrijke mediator zijn voor klinisch succes.¹
Factoren zoals persoonlijke controle, bezorgdheid en begrip van de aandoening verklaarden ongeveer 35% van de klinische verbetering.²⁴
Met andere woorden: wanneer een patiënt leert dat buigen niet gevaarlijk is, verandert niet alleen zijn gedrag.
Ook de manier waarop het centrale zenuwstelsel pijnsignalen verwerkt kan veranderen.¹⁶
Wat betekent dit voor de dagelijkse praktijk?
Onze anamnese en ons klinisch onderzoek krijgen een andere focus. In plaats van uitsluitend de pijnlocatie te analyseren, verdiepen we ons meer in de beleving van de patiënt.¹
Enkele praktische strategieën:
Valideren zonder te labelen
Erken de ernst van de pijn zonder angstaanjagende termen te gebruiken zoals “slijtage” of “versleten rug”.²
Gedragsexperimenten
Gebruik het lichamelijk onderzoek om patiënten te laten ervaren dat bewegen vaak minder bedreigend is dan gedacht.¹⁶
Shared decision making
Formuleer samen doelen die aansluiten bij wat voor de patiënt werkelijk belangrijk is – bijvoorbeeld weer met de kleinkinderen kunnen spelen – in plaats van alleen pijnscores te verbeteren.²⁹
Lage rugpijn is wereldwijd de belangrijkste oorzaak van geleefde jaren met een beperking.⁴
De maatschappelijke kosten zijn enorm, vooral door werkverzuim en overmatige medische interventies.¹⁴
De RESTORE-trial liet zien dat CFT niet alleen klinisch effectiever is, maar ook economisch aantrekkelijk.
Door meer nadruk te leggen op zelfmanagement en minder op passieve behandelingen en diagnostiek, werd gemiddeld AU$ 5.276 per patiënt per jaar bespaard.⁴
In een zorgsysteem waarin kosten steeds kritischer bekeken worden, versterkt dit de positie van de fysiotherapeut als kosteneffectieve eerstelijnsexpert.³³
Hoewel de resultaten veelbelovend zijn, blijft een kritische blik belangrijk.
De studie van Niederer et al. (2026) benadrukt dat het risico op bias in veel rugonderzoeken nog steeds relatief hoog is.³
Omdat patiënten en therapeuten niet geblindeerd kunnen worden voor de behandeling, kan er bijvoorbeeld sprake zijn van:
Daarnaast vraagt de implementatie van CFT en PIF om een investering in tijd en scholing.
De therapeuten in de RESTORE-trial volgden een trainingsprogramma van ongeveer 70 uur met mentoring door experts.¹⁵
Een korte cursus is simpelweg niet voldoende om de diepgewortelde reflex van “repareren” te vervangen door een meer coachende benadering.¹⁵
Ook in Nederland bestaan er praktische uitdagingen.
Ons huidige bekostigingssysteem beloont vaak volume in plaats van kwaliteit.
Een consult van 45 of 60 minuten past niet altijd binnen de standaardtarieven.⁸
Daarnaast zijn de KNGF-richtlijnen weliswaar gebaseerd op het biopsychosociale model, maar de vertaalslag naar de dagelijkse praktijk vraagt vaak om een bredere cultuurverandering.²⁹
Het vraagt dat we durven afwijken van vertrouwde patronen.
Wat mij betreft is de huidige wetenschap is duidelijk.
Bij aanhoudende musculoskeletale pijn is een psychologisch geïnformeerde aanpak geen luxe, maar een noodzakelijke ontwikkeling.
De netwerk meta-analyse van Niederer et al. (2026) en de langetermijnresultaten van de RESTORE-trial bieden een stevig fundament voor deze verschuiving in ons vakgebied.³
Voor ons als fysiotherapeuten betekent dit dat we blijven investeren in vaardigheden zoals:
Maar het vraagt ook zelfreflectie.
Helpen onze interventies patiënten werkelijk vooruit op de lange termijn?
Of bieden we vooral tijdelijke verlichting?
De weg naar duurzaam herstel loopt zelden via de massagetafel of de MRI-scanner.
Veel vaker begint die weg met een goed gesprek, een nieuw begrip van pijn, en een geleidelijke terugkeer naar een leven dat voor de patiënt waardevol is.
De uitdaging voor onze beroepsgroep is om deze inzichten daadwerkelijk te integreren in de dagelijkse praktijk.
De patiënt – en de samenleving – rekenen op ons.¹
Hancock, M., Smith, A., O’Sullivan, P., et al. (2025). Cognitive functional therapy with or without movement sensor biofeedback versus usual care for chronic, disabling low back pain (RESTORE): 3-year follow-up of a randomised, controlled trial. The Lancet Rheumatology, 7(11), e789-e798.
Kragting, M., Voogt, L., Pool-Goudzwaard, A. L., Twisk, J. W. R., & Coppieters, M. W. (2025). The effectiveness of psychologically-informed physiotherapy for people with neck pain and the mediating role of illness perceptions: a replicated single-case experimental design study. Disability and Rehabilitation, 1–14.

‘De dokter zei dat ik een versleten rug heb. Er zit bijna geen kraakbeen meer tussen mijn wervels.’ Je patiënt kijkt je moedeloos aan. In je achterhoofd schieten de moderne richtlijnen voorbij: pijneducatie, het biopsychosociaal model, geruststellen. Je legt geduldig uit dat ‘slijtage’ een normaal verouderingsproces is, vergelijkbaar met grijze haren, en dat de pijn […]

PIJN. Acuut, subacuut, chronisch, aanhoudend, persisterend, specifiek, aspecifiek, complex… Hoe we de pijn ook benoemen, in het gesprek met de ander die deze pijn ervaart liggen uitdagingen. En valkuilen. Waarom voelen patiënten zich vaak ongehoord, juist wanneer wij denken dat we glashelder zijn? Wat maakt dat er toch vaak zo dualistisch naar pijn gekeken wordt […]

De Paradox van de Scan: Waarom ‘niets zien’ soms pijnlijker is dan een hernia Als fysiotherapeut gespecialiseerd in musculoskeletale (MSK) pijn zie ik het dagelijks in mijn praktijk: de patiënt die met een mengeling van hoop en wanhoop vraagt om een scan. “Als we maar weten wat er binnenin kapot is, dan kunnen we het […]