17 februari 2026
Als fysiotherapeut gespecialiseerd in musculoskeletale (MSK) pijn zie ik het dagelijks in mijn praktijk: de patiënt die met een mengeling van hoop en wanhoop vraagt om een scan. “Als we maar weten wat er binnenin kapot is, dan kunnen we het maken,” is de veelgehoorde gedachte.
Het is een volkomen logische en menselijke reactie op pijn.
We zoeken zekerheid, een label, en vooral validatie van ons lijden.
Maar hier schuilt een fundamentele paradox: in de wereld van MSK-pijn is de correlatie tussen wat we zien op een beeld en wat de patiënt ervaart vaak flinterdun.
In dit artikel duiken we in de wetenschap achter beeldvorming, de psychologie van de hulpvraag en de kunst van échte geruststelling.
Laten we beginnen bij de harde cijfers.
De overtuiging dat pijn altijd gelijkstaat aan weefselschade is hardnekkig, maar wetenschappelijk achterhaald.
De baanbrekende meta-analyse van Brinjikji et al. (2015) liet zien dat degeneratieve kenmerken op een MRI — zoals discusdegeneratie of uitstulpingen — extreem veel voorkomen bij mensen zonder enige pijn.
Zo heeft 37% van de klachtenvrije 20-jarigen al tekenen van ‘degeneratie’, een percentage dat oploopt tot maar liefst 96% bij vitale 80-plussers.
We moeten deze bevindingen niet zien als ‘pathologie’, maar als normale veroudering: de ‘kraaiepootjes aan de binnenkant’ van ons lichaam.
Wanneer we bij een patiënt met rugpijn een scan maken en ‘iets’ vinden, is de kans groot dat dit er allang zat of dat het niets met de huidige pijn te maken heeft.
Sterker nog, routinematige beeldvorming bij aspecifieke klachten leidt vaak tot slechtere uitkomsten, meer angst en onnodige medische ingrepen. (Andersen, 2024)
Als de waarde van scans zo beperkt is, waarom blijven patiënten er dan om vragen?
Recent kwalitatief onderzoek van Haslam-Larmer et al. (2025) geeft ons een inkijkje in de psyche van de patiënt. Zij ontdekten dat patiënten een scan vaak ‘gebruiken’ als een manier om om te gaan met onzekerheid.
In hun gesprekken met patiënten kwam een treffend citaat naar voren: “Het is moeilijk om een individu te vertrouwen, het is makkelijker om een beeld te vertrouwen”.
Patiënten ervaren een scan als een objectief bewijsstuk dat hun pijn legitimeert.
Zonder ‘bewijs’ op een foto zijn veel mensen bang dat hun omgeving (of de behandelaar) denkt dat de pijn ’tussen de oren’ zit.
De scan is dus niet alleen een diagnostisch middel, maar een instrument voor sociale en persoonlijke validatie.
Bovendien verwachten patienten in het label ook direct een oplossing: een operatie.
Aangezien een operatie nog altijd wordt gezien als de ultieme manier waarbij alles kan worden gerepareerd.
Niet toevalligerwijs wordt beeldvorming gedaan tijdens een consult met een orthopaedisch chirurg.
Pijn -> naar orthopaed -> MRI -> diagnostisch label -> oplossing = operatie
De overtuigingen over operaties zijn bij leken nogal eens van mythische proporties: we kunnen tegenwoordig immers alles repareren!
Wie het boek leest van Ian Harris, ’Surgery, the ultimate placebo’, weet wel beter.
Hier ligt een grote verantwoordelijkheid voor ons als clinici.
Andersen et al. (2024) observeerden hoe artsen en fysiotherapeuten patiënten probeerden gerust te stellen met de woorden: “De MRI zegt dat het volkomen normaal is”. Hoewel dit medisch gezien goed nieuws is, ervaren veel patiënten dit juist als een diskwalificatie.
Als de scan normaal is, waarom vergaat de patiënt dan van de pijn?
Andersen stelt dat clinici vaak vertrouwen op hun eigen ‘biomedische logica’ om zichzelf gerust te stellen dat er niets ernstigs aan de hand is, maar daarbij de geleefde ervaring van de patiënt uit het oog verliezen.
Echte geruststelling ontstaat niet door het ontbreken van schade te benadrukken, maar door de pijn te erkennen en een begrijpelijk verklaringsmodel te bieden.
Interesse in de cursus Motiverende gespreksvoering? Klik hier!
Hoe doen we dat dan, geruststellen zonder scan?
Het sleutelwoord is validatie.
Uit onderzoek blijkt dat een empathische communicatiestijl van de fysiotherapeut direct samenhangt met minder pijn en betere behandeluitkomsten bij patiënten met chronische MSK-klachten.
Validatie betekent niet dat we de angst voor schade bevestigen, maar dat we de ervaring van de patiënt serieus nemen.
Een effectieve strategie is de ‘re-conceptualisatie’ van pijn, zoals toegepast in Cognitive Functional Therapy (CFT).
In de grote RESTORE-trial van Kent & O’Sullivan (2023) werd aangetoond dat patiënten met langdurige rugklachten significant meer verbeterden wanneer zij leerden hun pijn te begrijpen vanuit een biopsychosociaal perspectief, in plaats van een puur anatomisch/biomedisch model.
Grootste valkuil daarbij is, dat we vaak te snel toeschieten met onze educatie.
Terwijl het uitstellen en vertragen hier juist de sleutel vormt.
In de moderne MSK-zorg verschuift onze rol van ‘repareerder’ naar ‘coach’.
We moeten de moed hebben om de scan vaker in de koker te laten, maar alleen als we daar een sterke therapeutische alliantie en diepgaande educatie voor in de plaats stellen.
Hier ligt een taak voor veel hulpverleners.
Het begint vaak bij de huisarts of de fysiotherapeut.
Valideren en de-escaleren is wat hier centraal staat (uiteraard op basis van een goede triage).
En ook bij de medisch specialisten moeten nog stappen worden gezet op dit gebied.
Wel kunnen hulpverleners die vóór de orthopaed betrokken zijn bij de hulp van de patient, belangrijk positief voorwerk doen!
Patienten niet somatiseren en medicaliseren, zorgvuldig taalgebruik en positieve boodschappen, lage rugpijn benaderen vanuit BPS perspectief, vertrouwen in het menselijk adaptief vermogen bevorderen, zelfeffectiviteit ontwikkelen, etc.
Anders gezegd: vermijd dat je gesuggereerd dat beeldvorming een uitkomst biedt.
Het doel is niet ‘pijnvrij’ worden op een foto, maar ‘grip krijgen’ op het leven.
Want uiteindelijk is een patiënt die zijn rug weer durft te vertrouwen vele malen krachtiger dan een patiënt met een ‘perfecte’ MRI die nog steeds niet durft te bewegen.

Herken je dit? Je legt een oefening haarfijn uit aan een patiënt. Je vertelt precies waar de voeten moeten staan, hoeveel graden de knie moet buigen en dat de rug recht moet blijven. De patiënt knikt, probeert het, en beweegt vervolgens als een houten klaas. Hoe meer instructies je geeft, hoe onnatuurlijker de beweging wordt. […]

Herken je dit? Je hebt een perfect behandelplan opgesteld. De patiënt knikt instemmend, zegt “ja” op al je adviezen en belooft plechtig de oefeningen thuis te doen. Maar bij de volgende afspraak blijkt er niets van terechtgekomen. “Ja, maar ik had het zo druk,” is het excuus. Je voelt de frustratie opborrelen en je neiging […]

De RESTORE trial, is een studie naar cognitive functional therapy (CFT) die nogal wat stof deed opwaaien. CFT bestond al enkele jaren, en was ook al herhaaldelijk onderzocht. Toch startte de research groep van Peter O’Sullivan een grote trial op, deze keer onder leiding van peter Kent, naar het toepassen van CFT en de effectiviteit […]